Muzen in de stad

Vorig weekend mocht ik mijn prijs in ontvangst nemen voor het Stadsgedicht Ronse 2020. Nu ja, ‘bewonderen’ is misschien accurater in dit geval. Het gaat immers om een arduinen stoeptegel van aanzienlijk formaat waarin een strofe uit het gedicht ‘Wintergroen’ werd gegraveerd. Een zeer mooie prijs. Als dichter hoop je toch dat je gedichten een eigen leven gaan leiden (volwassen worden? verhuizen?) en je idealiter overleven. Ik weet ook wel dat de meeste winkelgangers de verzen nogal achteloos zullen vertrappelen, maar tekst is weerbaar. Hij zal er zijn voor de met leesdwang bedeelde inwoners, de meest verlegen grondzoekers en de vele dichters in spe. Laten we vooral hoopvol blijven.

Het was niet mijn eerste deelname aan de poëziewedstrijd. Die dateert namelijk van 2017. Ik was net terug van een – veel korter dan geplande – trip naar Australië en had me voorzichtig weer aan het schrijven gezet. De jaren daarvoor werd mijn aandacht nogal opgeëist door de kunst der sollicitaties, de vele interims en de overweldigende blik achter de schermen van het schoolwezen. Dat had ik nu achter me gelaten en daar wachtten de muzen al. Het thema van dat jaar was ‘Vuur’ en ik kreeg het heuglijke nieuws dat ik met mijn gedicht ‘Ontbranding’ tot de genomineerden behoorde. We waren opnieuw vertrokken.

Ronse ligt echter goed verstopt in de Vlaamse Ardennen en omdat de uitreiking steeds op Gedichtendag plaatsvindt (de laatste donderdag van januari), was het voor mij niet zo evident om er die avond vanuit Antwerpen te geraken. Gelukkig wilde een vriendin me wel een lift geven, waardoor we ook deel konden nemen aan de jaarlijkse gedichtenwandeling. Eenmaal ter plekke was ik danig onder de indruk. Voor de wandeling was er een samenwerking op poten gezet tussen de Academie en de brandweer. Het deed me veel plezier dat er zoveel belangstelling was voor Gedichtendag. En dat jaarlijks. Nog groter was mijn verbazing bij het zien van de opkomst in CC De Ververij voor de prijsuitreiking. Poëzie was hier duidelijk geen marginaal verschijnsel. Ik heb het nergens meer zo gezien.

Ik won dat jaar niet, maar vond wel dat de jury een terechte winnaar had uitgekozen. Er was met andere woorden werk aan de winkel. De feedback die telkens in de wedstrijdbrochure wordt opgenomen, heeft me dat ook doen inzien. Ik was nog zoekende. Het gedicht in kwestie was misschien nog te lieflijk. 2018 sloeg ik over, maar voor de themaloze editie van 2019 was ik opnieuw genomineerd met het gedicht ‘Zandlopers’. Ditmaal kon ik er helaas niet bij zijn, maar wederom greep ik naast de hoofdprijs. De feedback luidde als volgt: ‘De laatste strofe bleek niet iedereen te bekoren. Stilistisch niet zo verfijnd geschreven als de twee andere mooie strofes.’ Ik heb het gedicht lang zo gelaten, maar tijdens mijn eerste jaar aan de SchrijversAcademie kreeg ik min of meer dezelfde commentaar. Ik moest toegeven dat ik naar het einde toe misschien wat lui was geweest. Soms wil je een tekst gewoon afronden, maar dat kan het gedicht ook afmaken.

We noteren 30 januari 2020. ‘Wintergroen’ wordt verkozen tot het gedicht van de stad Ronse. De feedback luidt als volgt: ‘De jury vindt dit een sterk gedicht dat van het begin tot het einde de nieuws- en leesgierigheid triggert. Het ontwikkelt zich via een veelheid van beelden, die toch nog een coherent geheel vormen, hier en daar intrigerend naar het verhaal erachter. Alles blijkt te kloppen en nergens verzwakt het.’ Daar schrijf je dan meer dan 10 jaar voor. Is dat veel? Geen idee, maar alleszins genoeg om voor de eerste keer als winnaar uit de bus te komen. Het kwam nog steeds als een verrassing. Een collega-dichter noemde het gedicht beenhard, maar blijkbaar zat de balans tussen inhoud en stijl nu goed. Ik was trots op de weg die ik tot dusver had afgelegd.

En zo waren mijn vriend en ik een week geleden met de auto onderweg naar Ronse. Het beloofde een zonnig weekend te worden en als we dan toch in de Vlaamse Ardennen zouden vertoeven, mochten de wandelschoenen natuurlijk niet ontbreken. In de buurt van Ronse, ontnam een mistbank ons het zicht op het vervolg van de weg en de omgeving. Het leek alsof we een andere wereld waren binnengereden. De silhouetten van kale bomen suggereerden een gothic novel. Mijn vriend wist me te vertellen dat Ronse in een vallei lag en dat de mist daarom zo dik was. We zijn er pas op de terugweg weer uitgeraakt.

Omwille van het coronavirus zal de uitreiking van dit jaar online plaatsvinden inclusief een digitale versie van de gedichtenwandeling. Aangezien de stoeptegel normaal ook de volgende editie overhandigd wordt, was ik uitgenodigd op het stadhuis om de prijs daar in ontvangst te nemen met aansluitend een filmopname voor de virtuele wandeling. Voor de praktische organisatie werd ik in contact gebracht met Mieke, een hartverwarmende dame uit de werkgroep Gedichtendag wier bezorgdheid over de zoektocht naar eten tijdens ons verblijf wederom een teken was van de gastvrijheid die ik intussen met de stad associeerde. Op het stadhuis werden we vriendelijk ontvangen door Joris, de schepen van cultuur en Marc, de voorzitter van de jury. Beiden (alsook de twee Ronsenaars die we op onze eerste wandeling tegenkwamen) wisten ons heel wat wetenswaardigheden over de stad te vertellen. Bovendien bood dit weerzien mij ook de kans om mee te geven hoezeer ik onder de indruk was van het engagement van de werkgroep. Het succes is hen van harte gegund.

De opnames vonden plaats op de Devoskoer, een uiterst charmant beluik dat gebouwd werd aan het einde van de 19e eeuw. Daar ontmoetten we Mieke die al de hele ochtend met de technische ploeg (het opgaande duo Joris en Philippe) in de koude aan het draaien was. Na afloop en na de uitwisseling van welgemeende complimenten, bood ze ons tot slot nog een kommetje soep aan.

Toen we opnieuw in de auto zaten, klaar om te vertrekken, klopte Marc nog even op het raam: ‘Gaan jullie wat te eten vinden?’

In Ronse zouden we zeker niet verhongeren.

De teaser voor de Gedichtenwandeling vinden jullie alvast hieronder. Ik nodig alle dichters uit om volgende editie deel te nemen aan het Stadsgedicht Ronse. Je poëzie wordt er gewaarborgd.

#TBT

Nu er zoveel over afstand wordt geschreven, wil ik even zelf de jaren overbruggen. In een Brusselse muziektempel nestel ik me in het theaterstoeltje. Ik maak het stil. Dat heb ik dan toch geleerd.

Grenzeloos – Muziek: Renee van Bavel – Tekst: Kenneth Swaenen
Grenzeloos

Toen meneer op reis wou gaan
hield ik het avontuur niet tegen
elk land kreeg zo mijn zegen
over zee en oceaan
 
Maar
 
Mag ik dan zeggen dat ik u mis
Mag ik zeggen dat de wereld niet schoon is
Mag ik zeggen dat ik niet kan, niet wil
Mag ik zeggen dat de wereld niet zo schoon is
Als ik mis
Dan mis ik u
Grenzeloos
 
In die tijd klei ik mezelf
want ik wil u datgene geven
door nu en dan te leven
al is het dan voor mezelf
 
Mag ik dan zeggen dat ik u mis?
Mag ik zeggen dat ’t eten niet lekker is
Mag ik zeggen wat er speelt, wat er leeft
Mag ik zeggen dat er rode wijn teveel is
Als ik mis
Dan mis ik u
Grenzeloos
 
En op de straat koop jij een banaan
En op de straat kijkt iedereen u aan
want zo een man
waarvan ik in schaarste geniet
valt op in het straatverdriet
 
Dan mag ik toch zeggen dat ik u mis
Dan mag ik zeggen dat er geen ander is
Dan u
En als die dingen nu zo zijn
Ja, dan trouw je toch met mij
Zou dat geen sprookje zijn
Met u
 
Zo mis ik u
En ik wacht op u
Want ik hou van u

Grenzeloos

Van iets naar diets

‘Ik volg een schrijfopleiding.’

Ik voel me altijd wel wat knullig als ik mezelf dat hoor zeggen. Het geeft de indruk dat ik schrijver wil worden en dat ik aan het leren schrijven ben. Ja, in zekere zin, maar nee. Zo werkt dat volgens mij niet. Nu het einde van mijn eerste jaar aan de SchrijversAcademie nadert, wordt het stilaan tijd om poolshoogte te nemen. Sta. Va. Za.

Toen ik werd toegelaten aan de SchrijversAcademie, was ik uiteraard reuzefier. Het is een moment van bevestiging. Je doet ‘iets’ goed. Op dat moment had ik echter geen idee wat dat dan juist was. Toen ik op het startmoment praatte met enkele studenten van het tweede jaar, werd één ding me alvast duidelijk: je moet het zelf doen. Dat klinkt even logisch als tegenstrijdig, maar ik voelde me er goed bij. Ik ga het zelf doen.

De docenten trekken die filosofie door. Ze noemen zich geen ‘docenten’, maar veeleer collega-dichters. Werkelijk, dat maakt een groot verschil. Poëzie is al een buitenbeentje op zich en dan is het heerlijk om in een groep terecht te komen waar je je met weinig woorden begrepen voelt. Het zijn soms kleine dingen, zoals samen laaiend enthousiast doen over een mooi woord of prachtige zin, die de opleiding de moeite waard maken. Stroomstootjes.

We zijn met negen dichters gestart en ik kan je zeggen dat we allemaal anders schrijven. Het is dan ook ontzettend boeiend om te zien wie wat maakt van eenzelfde schrijfopdracht. Toegegeven, het blijft wel spannend om feedback te krijgen op een tekst. Je toont je immers kwetsbaar en hoewel het maar een schrijfoefening is, wil je toch met iets kwaliteitsvols voor de dag komen. Uiteindelijk wedijver je alleen met jezelf. Ik kan niet schrijven wat mijn collega-dichters schrijven. Onderschrijven des te meer.

Wat kan ik dan wél schrijven? Laten we het even concreet maken, want naast ontspoorde poëziegeschiedenis, scherpzinnige bundelbesprekingen en prikkelende schrijfopdrachten, krijg je tijdens de opleiding ook individuele feedback van je projectbegeleider. Daar toon je de vouwlijnen én de kreuken in je poëzie, zie je welke kreuken vouwlijnen kunnen worden en andersom. Hieronder geef ik mee wat ik er zoal heb uitgehaald.

Een eerste vraag waar ik mee geconfronteerd werd, was of ik een referentiegedicht had. Dat is een gedicht waar je helemaal tevreden over bent en waar je nieuw werk aan kan aftoetsen. Voldoet het nieuwe gedicht aan de kwaliteiten van je referentiegedicht? Belangrijk om te beseffen is dat een referentiegedicht natuurlijk kan wijzigen, maar het kan uitweg bieden als je werk consistentie mist. Ik had er in ieder geval nog geen aan het begin van de opleiding, maar intussen kan ik zeggen van wel. Aftoetsen maar.

Vervolgens liet ik de begrippen ratio en intuïtie op mijn werk af. Waar lopen de verzen organisch en waar moet je toch meer technisch lezen om te begrijpen/zien wat er staat. Omdat ik zelf doorgaans vertrek van een emotie of een beeld, wil ik mijn gedichten niet te veel overladen met taal. Het mag geen opeenstapeling worden van woorden. Er moet anders gezegd nog genoeg beweegruimte zijn. Eenduidig is het niet, maar ik kon er alleszins mee aan de slag. Het is natuurlijk ook een kwestie van smaak, maar het is interessant om te weten waar voor jou de balans ligt, zodat je beter kan doseren.

Ruwheid was een belangrijk thema voor mij dit jaar. Ik omschrijf mezelf vaak als een ‘schoonschrijver’. Ik probeer bijvoorbeeld vaak negatieve emoties om te zetten naar iets moois op papier. Ik kreeg echter de feedback dat ik misschien wel ‘te mooi’ probeerde te schrijven, waardoor er ook gevaar is voor afvlakking. Ruwere woorden en beelden kunnen immers ook mooi zijn. Ik misgunde mezelf een groot deel woordenschat door woorden als ‘hakken’ of ‘vermorzelen’ te vermijden.

Ik heb me ten slotte leren afvragen of iets al dan niet tot de coulisse van een gedicht behoort. Ik werd erop gewezen dat het begin van mijn tekst niet altijd het begin van mijn gedicht was en hetzelfde gold vaak voor het einde. Ik breide er onnodig nog een conclusie bij aan. Soms heb je een aanloop nodig, maar dat wil niet zeggen dat je die aanloop moet behouden in je gedicht. In plaats van de theatermetafoor, heb ik een turnbeeld in mijn hoofd. Je loopt aan, springt, draait, landt en zet bij. De aanloop en het bijzetten van je voet zijn noodzakelijk voor een schroef of salto, maar zijn geen deel van de sprong. Uiteraard heb ik de vrijheid om het daarover oneens te zijn met mijn begeleider, maar mezelf de vraag stellen bleek een goede richtlijn.

Het was enigszins ook een geruststelling te horen dat ik veeleer te veel had, dan te weinig. Het gedicht staat er, oef. De alomgekende schrijfwijsheid ‘schrijven is schrappen‘ blijft overeind. Vóór het schrappen is er het ‘bonken’. Het komt er eigenlijk op neer dat je een zekere leegte toelaat en ritualiseert. Dat kan een dagelijkse schrijfoefening zijn, meditatie of in mijn geval een wandeling. Op dat moment geef je een idee, beeld, woord de kans om je te overvallen en te bonken in je hoofd. Het gedicht is klaar om geschreven te worden. Dat bonken herkennen en kristalliseren is maar één manier om naar het schrijfproces te kijken, maar wat een geruststellende gedachte dat poëzie er gewoon is en zich op een bepaald moment aandient.

Voor de troostzoeker is er nog meer soelaas: synchroniciteit en specificiteit. Terwijl je aan het schrijven bent, kan de werkelijkheid je gedicht binnendringen: een lied op de radio, een sms van een vriendin of dat lawaaierige kind op straat. Het voelt misschien aan of die ruis uiterst onpoëtisch is, maar het levert soms schitterende vondsten op. Maak gaten in je ruimte. Ik besef ook steeds meer dat mijn perspectief uniek is in de wereld. Een cadeau, gratis en voor niets.

En dan ben ik nog niet eens bezig met een manuscript. Ik denk dat iedereen die start met een schrijfopleiding wel droomt van een publicatie, maar het lijkt me daarbij voornaam om je eigen tempo te bepalen en vooral te genieten van het creatieproces. De SchrijversAcademie heeft je op die manier zoveel meer te bieden. Wie overweegt om zich in te schrijven, vraagt zich niet af of ie schrijver is, maar wat voor één.

Tot zover de dietsmaking.

De kleine schijn

Vorig jaar trok ik naar Leiden om in alle stilte een reeks gedichten te herschrijven. Uiteindelijk mondde dat uit in mijn inzending voor de Zeef Poëzieprijs. Sindsdien plan ik regelmatig kleine schrijfretraites voor mezelf. Deze week bracht ik door in Den Haag.

Poëzie schrijven en dan vooral ermee naar buiten komen, brengt ook een deel administratie met zich mee. Ik schrijf motivatiebrieven, houd een literair cv bij, maak planningen en beheer sinds kort ook deze website. Het lijkt een beetje op solliciteren voor een job die je al hebt, al wil ik mijn dichtwerk niet te fel in dat licht zetten. Uiteindelijk is het een luxe dat ik mij met taal en kunst kan bezighouden en de inspanning neem ik er dan graag bij.

zondag

Wanneer ik mijn kamer binnenstap, ben ik blij verrast dat er een blocnote en een schriftje voor me klaarligt. Ik had aan mijn gastheer laten weten dat ik kwam om te schrijven en ik wil dan ook geloven dat hij daar rekening mee heeft gehouden. Ik herinner mij echter snel dat hij bij mijn aankomst vroeg wat ik in petto had voor deze week, aangezien de meeste gasten slechts een of twee dagen bleven. ‘Schrijven.’ Ik moet er nog steeds aan wennen om dat zonder schroom te verklaren.

Ik heb een heel andere schrijfroutine voor proza dan voor poëzie. Proza schrijf ik het best ’s ochtends. Ik ben een ochtendmens, ziet u. Mijn hoofd is dan helder, waardoor ik mezelf ook beter kan relativeren. De weg ligt open en ik heb de energie om die te bewandelen. De motor van mijn poëzie, daarentegen, slaat pas aan wanneer het donker is. Ik ben moe, de vele filters vallen weg en ik verander van hoogfunctionerend naar getroebleerd mens. Ik voel meer en dat helpt. Met dat in het achterhoofd, scheur ik een blaadje van de blocnote en begin ik mijn week te plannen. Ondertussen lach ik mezelf vierkant uit.

maandag

De dag begint zonnig en ik kleed me snel aan om op zoek te gaan naar een goede kop koffie. Op de hoek van mijn straat is het meteen bingo. Ik zet me buiten aan een tafeltje en voel me landen. ‘Dit zijn de dagen.’ Ik neem er een toneelscript van een vriend bij en maak enkele aantekeningen in een notitieboekje. Halverwege stop ik. Ik zit in een buitenwijk van de stad en wandel toch een klein uurtje naar het centrum. Ik wandel ontzettend graag. Een wandeling is jezelf ont-moeten. Ik meen toch te geloven dat ik een introvert ben, waardoor ik (graag) verdwijn in de drukte van alledag. Eenmaal alleen, verschijn ik als kastanjes op de grond. Ik start met wandelen en raap mezelf bijeen. In de stad ga ik op zoek naar enkele muurgedichten. Ik heb geen zin om me te verturen op een kaart en loop wat kriskras door de straten. Elk gedicht wordt zo een ontdekking. Ik eet wat en lees de rest van het script door. Online zoek ik informatie op over de stadsbibliotheken en besluit naar de Koninklijke Bibliotheek te trekken, vlakbij het Centraal Station. In het uurtje dat me nog rest, werk ik aan een motivatiebrief en besef ik dat ik nog niet aan schrijven ben toegekomen. Ik voel nochtans iets bonken in mijn hoofd. Het is donker. Ik wandel terug naar mijn kamer en werp een blik op mijn planning. Twee uur later heb ik een eerste versie van een gedicht klaar dat ik niet van plan was te schrijven. Over kastanjes.

dinsdag

Het lukt me al een tijd niet meer om uit te slapen op dagen dat het kan en ook vandaag word ik om 6u wakker. Het zal het winteruur zijn, denk ik. Ik maak me weer klaar voor een zonnige dag en geniet met volle teugen van mijn flat white. Ditmaal wandel ik de andere kant uit richting het strand. Ik trek mijn stoute schoenen uit en voel de grond zachtjes wegzakken onder mijn voeten. Wanneer ik een geschikte zetelduin tegenkom, laat ik ook de rest van mijn lichaam zakken. Ik lees enkele hoofdstukken uit Never let me go van Kazuo Ishiguro en laat de zon op mij inbeuken. Inbreuk is er enkel als ik migraine heb. ‘Dit zijn de dagen.’ Zo start ik het gedicht dat ik die avond schrijf in de bieb.

woensdag

Zie dinsdag, maar met een ander openingsvers.

donderdag

Vandaag breng ik de dag met een vriendin door. Tijdens onze shoptherapie, koop ik ook de bundel ‘Zog’ van Erik Lindner, de zogenaamde steen in mijn bedding. Ik gok dat ik nog heel wat kan opsteken van zijn rake beelden en subtiele ontwrichtingen. ’s Avonds bereid ik me voor op een poëzieavond en open mic, waar ik van plan ben mijn kersverse kroost aan het publiek te tonen. Ik heb me vergist en wandel tussen spoken en heksen.

vrijdag

Op weg naar huis. Dankbaar. ’s Avonds drink ik met vrienden. Ik probeer nog niet op te stijgen.

Extra muros: Tom Lanoye

Over Lanoye naar aanleiding van de Poëzieweek begin dit jaar:

Tom Lanoye keilde me zonder pardon richting roman. Als tiener verslond ik Het derde huwelijk, De monstertrilogie en natuurlijk Kartonnen dozen. Vanaf dat moment haalde karton het van alles wat blonk en stonk. De auteur wekte bij mij ook als eerste het idee dat ik zelf misschien ook wat kwijt wou/kon/moest. Ik ben van mening dat elk verhaal waardevol is, maar dat vertellen een kunst is die veel tijd en oefening vraagt. Wat mij vooral aantrok in de boeken van Lanoye, waren zijn zinnen. Hij maakt prachtige zinnen. In die ‘zin’ is hij in hart en ziel veeleer een dichter die romans schrijft, dan andersom. Het is maar een idee. Hij heeft in ieder geval genoeg te vertellen. En hoe.

Gisteren in Café RoodWit in Berchem bleek nog maar eens hoeveel de man te vertellen heeft. De Boog organiseerde er ‘GrabbelTom Lanoye’ waarbij het publiek gretig in zijn oeuvre mocht graaien om een werk naar keuze op te diepen. Lanoyegewijs begon de avond met een sneer naar het huidig politieke bedrijf waarbij hij de Vlaamse canon vakkundig fileerde en zijn slagersmes zorgvuldig proper wreef aan onze handen. Het was duidelijk dat wij die avond niet meer zouden grabbelen.

Het werd een avond om van te smullen. Als eerste stadsdichter van Antwerpen schreef hij een gedicht geïnspireerd door de Visa-affaire waarbij het volledige college van burgemeester en schepenen ontslag nam. Hij bleef echter in functie. In het gedicht verguist hij de stad, verdrinkt hij de stad, vergeeft hij de stad, vertroetelt hij de stad:

Vervloekt heb ik u, meer dan Beerschot ooit
verloor. Verlaten? In gedachten meer
dan eb en vloed uw kaden konden boenen.
Verraden? Nooit. Maar des te kwader vaak,
lijk iedere sinjoor, loop ik uw straten door
waarin zo veel zo grondig werd verklooid.


https://www.antwerpenboekenstad.be/stadsdichters/5/tom-lanoye/gedichten/8/1-mijn-moeilijk-lief

Hij knoopt aan met toch wel een van de meest tot de verbeelding sprekende stadsgedichten tot nu toe:

De Boerentoren schrijft
waarom vertoef ik PLOMP
verloren hoekig in uw
RANKE SCHADuw kant
uw broderie van steen
— als toren u TE MIN
als MINNAAR u te jong


https://www.antwerpenboekenstad.be/stadsdichters/5/tom-lanoye/gedichten/21/8-de-boerentoren-schrijft

De Kathedraal antwoordt
allez —
       wie dat er daar is
hallo —
       zegt dat ’t niet waar is
na jaren & jaren & jaren & jaren & jaren
dat ik hier wind en sneeuw en zon heb staan vergaren
dat ik met vlag en pluim en wimpel heb staan zwaaien
met mijn kantelen en mijn klokken heb staan draaien
al jaren & jaren & jaren  & jaren & jaren
uw attentie & verlangen heb proberen vangen
mijn repertoir’ en mijn nikkel heb af staan draaien
met concêrs van beiaard & gezangen & fanfaren
na jaren & jaren & jaren & jaren & jaren
amai —
       nu komt er 1 gedichtje
amai —
       nu zie ik uw gezichtje


https://www.antwerpenboekenstad.be/stadsdichters/5/tom-lanoye/gedichten/21/8-de-boerentoren-schrijft

Intussen wordt het me meer dan duidelijk dat Tom Lanoye een geweldige podiumdichter is. De kathedraal werd destijds vertolkt door La Esterella die a capella en à la muezzin van ver te horen was, maar Lanoye blaast niet minder hoog van zijn toren. Liefelijk vertelt hij over de intussen overleden zangeres, aan wie hij nog persoonlijk een exemplaar van Sprakeloos bezorgde. Zij, met haar spraakmaker nog intact, bedankte, kon zich niet inbeelden hoe erg het was om je taal te verliezen en zong. Op de uitvaart van Estère dan wviel het Lanoye te beurt om de laatste speech te verzorgen, waarvan hij een deel nog eens voor ons bracht. Het werd stil in RoodWit. Hij was gekomen om alle registers te bespelen.

Het taalregister speelt ook een belangrijke rol in zijn theaterstuk Mamma Medea. Volgens hem een van de grootste monsters uit de literatuurgeschiedenis. “Wie noemt er zijn kind Medea?” vraagt hij zich luidop af. “Richard komt nog wel voor. Donald vast ook. Dolfje ligt toch wat moeilijker. “Medea, de vrouw die haar eigen kinderen vermoordde. Waanzin? Wraak?” Het is en blijft een boeiende figuur en doet mij plots ook denken aan Lanoyes Monstertrilogie. Het eerste deel (Het godddelijke monster) opent immers met: ” Katrien Deschryver schoot haar man dood. Per ongeluk. Ze wist dat geen mens haar zou geloven maar het was een malheur – dom, abrupt en onherroepelijk.” Hij zegt het dan wel spottend, hij meent wat hij zegt: “Ik schrijf te weinig poëzie, maar er zit veel poëzie in mijn theaterstukken. Wat volgt is een pakkend fragment waarin Medea Kreousa, de vrouw waarvoor Jason haar verlaat, in haar hart laat kijken. Prachtige vijfvoetige jamben:

Geen muil van mens of dier was sinds de mond
Van hem zo voorbestemd om mij te bijten.
Zo lang ík in zijn armen lag — ’t zij dag,
’t Zij nacht — verloor ik mijn verstand en dacht
Dat het heelal van plan was om mij zacht
Maar onherroepelijk uiteen te rijten.

Hoewel Sprakeloos voornamelijk over zijn moeder gaat, is het ook een boek over zijn vader. Hij beschrijft zijn ouders als ‘oude besjes’ en vergelijkt hen vervolgens met de mythologische figuren Philemon en Baucis; het koppel dat de zondvloed overleeft én de tand des tijds doorstaat, zij het als twee bomen: een eik en een linde. Met boek in de hand, denk ik eerst dat hij het fragment dat hij wil voorlezen, inleidt, maar niets is minder waar. Hij is alweer vertrokken. Het publiek graait er weer naast. Sprakeloos is een boek dat me nauw aan het hart ligt, want ik heb het zelf meegemaakt: een naast familielid dat plots niet meer kon zeggen wat er in haar omging en wat ze misschien nog aan me wilde meegeven voor ze stierf.

Het begint aardig op te warmen in het café. Een deur wordt opengezet, maar het mag niet baten want Lanoye leidt ons voor en veroordeelt het publiek tot veelvuldig collectieve orgasmes. Ik hoopte op een ‘intiemer’ fragment uit Kartonnen dozen, want ik had als tiener veel troost aan het boek toen ik zelf voor de eerste keer tot over mijn oren verliefd werd. Op een jongen dan nog. Lanoyes stemt kietelt nu boven- en onderwereld, glijdt, vermaledijt en overlijdt. En dan opnieuw, maar dan in het Duits.

Het is pauze. Ik ruil mijn drankje in en eet buiten een zakje chips.

Lanoye eindigt de avond met fragmenten uit Ten Oorlog, een zesdelige bewerking van Shakespeare waarin de taal van de personages ontaardt, zoals machthebbers ook hun voeten op tafel leggen en het contact met de gemeenschap verliezen. Het werk is een poëziegeschiedenis op zich. Het vertrekpunt: de vijfvoetige jambe:

To be or not to be, that is the question.

Lanoye vertaalt het als volgt met toevoeging van een binnenrijm:

Er zijn of niet? Er is geen vraag dan die.

En viert ook het kindlijk maken van de taal door Jan Decorte:

Tis of tisni, daddist

Ook Guido Gezelle (= de canon!) moet eraan geloven:

O krinklende winklende waterding,
Met ’t zwarte kabotseken aan,
Wat zien ik toch geren uw kopke flink
Al
stijf in het waterke staan!

Om uiteindelijk uit te monden bij Richard motherfucker de derde die intussen een pidgintaal hanteert: een mengelmoes van Vlaams en Engels uit Mowtownnummers en slechte feuilletons, aldus Lanoye. Ook wij sloten uiteindelijk af met een welgemeende:

Ons geil is de asem van God!

En wie nu nog te geil staat, moet zeker onderstaand gedicht niet overslaan:

https://www.antwerpenboekenstad.be/stadsdichters/5/tom-lanoye/gedichten/20/7-open-en-brood

Dance. in. peace.

Optreden 13/09/2019

De vogel is door het zwerk.

De voorbije twee weken heb ik een heleboel nieuwe mensen leren kennen en ik hoop dat het nooit stopt. Ik heb me in de eerste plaats ingeschreven aan de SchrijversAcademie omdat ik gelijkgezinden zocht, exoplaneten die zich gewillig laten opsluiten in stoffige ruimte om maar een glimp op te vangen van wat de oerknal heeft voortgebracht.
Passage Ballonnenvrees: je moet er gewoon eens door. Gert Vanlerberghe slaagt er wonderwel in om het drukke verkeer te weren en een omgeving te creëren waar iedereen zich thuis voelt. Zijn open mic bewijst dat keer op keer. Mijn moeder heeft er alvast erg van genoten, vandaar het videofragment.

Ik heb mijn draai gevonden. D.I.P.

Een vlag kruipt uit de klokkentoren

als de wind draait (Erik Lindner)

Er zijn mensen die trouwen.
Er zijn mensen die kinderen krijgen.
Er zijn mensen die hun hebben en houden de wereld laten zien

en er zijn mensen die eindelijk hun vlag laten wapperen.

Welkom op mijn website.

Onlangs ben ik gestart aan de SchrijversAcademie met de opleiding poëzie. Omdat ik niets van die ervaring verloren wil laten gaan, zal ik bijwijlen verslag uitbrengen van wat dit allemaal met me doet: de ontmoetingen, de inzichten, de obstakels; kortom,

de rimpels in mijn tijd.

Fotograaf: Sofie Wanten